Paard


Enten paard

Er zijn verschillende ziektes waartegen we onze paarden kunnen beschermen met enten. Bij enten, of vaccineren, wordt het dier opzettelijk besmet met verzwakte ziektekiemen. Hierdoor wordt het dier niet of nauwelijks ziek, maar zijn afweersysteem leert de ziektekiem herkennen en bestrijden. Zo zal het in het geval van een echte infectie niet, of veel minder ernstig ziek worden.

Vergeet niet om, samen met uw dierenarts, in het paspoort aan te geven of uw paard wel of niet voor de slacht bestemd is. Een paard dat niet in de voedselketen terechtkomt, mag veel meer soorten medicatie krijgen (en is daardoor vaak beter geholpen) dan een paard dat wel voor de slacht bestemd is. Overigens geldt een paard, die wel door de slachter gedood wordt, maar waarvan het vlees niet gebruikt wordt, ook als voedsel producerend dier! Voor een voedsel producerend dier moet zowel door dierenarts als eigenaar een nauwgezette medicatie registratie bijgehouden worden; dit moet 5 jaar lang bewaard worden. Voor een paard die niet voor de slacht is bestemd, moet alleen de dierenarts een geneesmiddelen registratie bijhouden.

Tetanus

Deze pijnlijke en vaak dodelijke ziekte komt gelukkig niet zo heel vaak in Nederland en Belgie voor, dankzij het feit dat verantwoordelijke paardeneigenaren hun dieren laten enten. De bacterie die het veroorzaakt, Clostridium Tetani, komt namelijk overal om ons heen voor! De bacterie dringt het lijf binnen via wonden, waar hij zich vermeerdert en een toxine (gif) afscheidt. Dit gif tast de zenuwen van het paard aan, waardoor er een pijnlijke kramp in de spieren optreedt. De tijd tussen besmetting en het optreden van de eerste krampen is 7 tot 10 dagen.

Tetanus geeft een heel typisch ziektebeeld; het paard beweegt stijf en houterig en kan niet meer goed eten doordat zijn kaakspieren verkrampen. Het derde ooglid trekt vaak voor het oog, dit ziet eruit als een roze halve maan, die vanaf de neuskant over het oog trekt. De oren staan rechtop, net als de staart. Uiteindelijk raakt het paard zo verkrampt dat hij omvalt en niet meer goed kan ademen. Als ze in dit stadium nog niet uit zichzelf sterven, dan worden ze ingeslapen vanwege de zeer slechte prognose. Bij vroege herkenning en intensieve behandeling heeft het paard een kleine kans om de ziekte te overleven.

Bescherming tegen tetanus gaat in een paar stappen. Een veulen krijgt zo snel mogelijk na de geboorte een injectie met tetanus serum, wat een passieve bescherming geeft. Dit is dus geen vaccinatie, waarbij het dier zelf antistoffen aanmaakt, maar meer een soort van paraplu die de eerste maanden bescherming biedt. Als de moeder goed ge-ent is tegen tetanus, dan zal het veulen via de melk nog extra bescherming krijgen. De eerste vaccinatie wordt op 5-6 maanden leeftijd gegeven en de tweede vaccinatie 4 tot 6 weken later.Daarna moet de vaccinatie minstens 1 keer per 2 jaar gegeven worden.

Influenza

Het influenzavirus veroorzaakt een infectie van de voorste luchtwegen (neus, keel, luchtzakken en luchtpijp). Het virus kan zich snel verspreiden via contact tussen paarden onderling, uitademingslucht, maar ook via borstels, tuig en kleding. De verschijnselen van influenza zijn hoge koorts, hoesten en slecht eten. De luchtwegen worden flink beschadigd door het virus, waardoor bacterien veel makkelijker kunnen aanslaan. Dit resulteert dan in geel of groen snot uit de neus en het ophoesten van slijm. De tijd tussen besmetting en het vertonen van ziekte duurt 2 tot 3 dagen.

De ziekte kan dodelijk verlopen voor veulens met onvoldoende weerstand, maar volwassen paarden kunnen de ziekte goed doorstaan.

Voor paarden die met veel andere paarden in contact komen, is het aan te raden en in veel gevallen zelfs verplicht, om te enten tegen influenza. De KNHS stelt een goed uitgevoerde basisvaccinatie verplicht, met daarna een jaarlijkse herhalingsvaccinatie. Let goed op, want het vaccin moet binnen 1 jaar na de vorige entings datum gegeven zijn! Start je internationaal op FEI wedstrijden, dan moet vaccinatie iedere 6 maanden gebeuren.

De basis vaccinatie bestaat uit een eerste vaccinatie op 5-6 maanden leeftijd en een tweede vaccinatie 4 tot 6 weken later. Daarna moet de vaccinatie minstens 1 keer per jaar gegeven worden en voor wedstrijdpaarden dus binnen het jaar.